Havel in de gang
Kort na de fluwelen revolutie van 1989 was Václav Havel, president en ex-dissident, bij de Tsjechen ongekend populair. In mijn beginjaren in Brno zag ik bij mensen thuis zelfs vaak een poster van Havel aan de muur hangen. Zelf was ik ook een bewonderaar van deze bijzondere president. Al voor vertrek naar Tsjechië had ik zijn Brieven aan Olga, vanuit de gevangenis geschreven aan zijn vrouw, gelezen en hoopte ik stiekem hem in Tsjechië ooit persoonlijk te mogen ontmoeten.
Anno 2010 is Havel lang niet meer de aanbeden held van begin jaren negentig. In het buitenland is hij vele malen populairder dan in Tsjechië zelf. Maar Honza en ik zijn volhouders: we hebben onveranderd grote bewondering voor dit nog altijd ietwat timide mannetje, voor deze filosoof, vrijheidsstrijder en toneelschrijver die ondanks zijn jarenlange presidentschap met beide benen op de grond is blijven staan en nog altijd dat aanstekelijke gevoel voor humor heeft.
Begin 2009 werd het filmfestival Jeden svět (Eén wereld) gehouden. Op tv kwam regelmatig een geestig reclamefilmpje met Havel in de hoofdrol voorbij en overal hingen posters met Havel als werknemer van een Praagse kraamkliniek. Na al die jaren werd het eens tijd dat wij thuis ook een poster van Havel op gingen hangen, oordeelden Honza en ik, en dus belde ik naar een bioscoop of ze er één voor me over hadden. De volgende dag kon ik langskomen en lagen er een paar keurig opgerolde posters met een papiertje met “mevr. Fikejsová” voor me klaar. Havel hangt sindsdien bij ons in de gang.
Op 17 november 2009, twintig jaar na de revolutie, liepen we samen met duizenden anderen mee in de optocht die de route van de studentenbetoging kopieerde die destijds de omwenteling in gang zette. Eindstation van deze sfeervolle manifestatie was de Národní straat, waar de politie destijds op de menigte insloeg. Nu wachtten ons geen mannen in groen uniform, maar een groot podium waar een keur van Tsjechische artiesten op zou treden. Voor ons was het echter tijd om te gaan. Toen we ons eindelijk door het gedrang heen hadden gewerkt, zagen we achter het podium een aantal agenten de weg vrijmaken voor een luxe zwarte wagen. Van een meter afstand keek ik nieuwsgierig door de voorruit naar binnen en begon net als de andere voorbijgangers enthousiast te zwaaien. Voorin zat Havel en achterin de Amerikaanse zangeres Joan Baez.
Honza en ik wisselden een blik van verstandhouding en maakten toen dat we weer bij het podium kwamen. Onder luid gejuich verscheen Havel daar, met een gitaar in zijn hand. “Ik ben al twintig jaar gitaardrager voor een bijzondere vrouw, Joan Baez,” verklaarde hij en maakte plaats voor zijn Amerikaanse vriendin, die in het Engels en Tsjechisch We shall overcome zong. Iedereen zong mee en juichte de twee prominente gasten hartstochtelijk toe. Er is een hoop niet goed gegaan na de revolutie, concludeerden Honza en ik, en mensen klagen regelmatig steen en been, maar zolang Václav Havel nog steeds zo ontvangen wordt, is het zo erg nog niet gesteld met het Tsjechische volk. En voor mij persoonlijk is die wens van 1993 toch een beetje uitgekomen: Havel van dichtbij te zien. Op de Národní, en iedere dag bij thuiskomst, bij ons in de gang.