Een staatsvijand
Tuesday, November 29th, 2005Dominee Tomáš is een man die zijn mening niet onder stoelen of banken steekt. Nu niet, en ook tijdens het communisme niet, hoewel openhartigheid in communistisch Tsjechoslowakije niet bepaald wordt gewaardeerd. Alleen halverwege de jaren zestig, als er voorzichtig meer vrijheid van meningsuiting komt, kan Tomáš wat vrijer ademhalen. De vreugde is helaas maar van korte duur. Samen met zijn vrouw Daniela beleeft hij de inval van de Russen in augustus 1968 in tranen en ongeloof. Omdat de grenzen niet direct dicht gaan, kunnen Tomáš en Daniela nog wel voor een jaar studie naar New York. Daar zorgen ze tegen het einde van hun verblijf voor onbegrip bij hun Tsjechische vrienden. Waarom terug naar de onvrijheid? Maar ze laten zich niet ompraten, ondanks alles is Tsjechoslowakije het land waar ze zich thuis voelen.
Eenmaal terug duurt het maanden voor Tomáš toestemming krijgt om als dominee in het dorpje Telecí te gaan werken. Hij is in het buitenland geweest en dus verdacht. Desondanks komen hij en zijn vrouw regelmatig met vrienden bij elkaar om van mening te wisselen over het gehate communistisch regime. Voor de geheime politie is dit reden genoeg om Tomáš regelmatig op het matje te roepen en hem aan stevige verhoren te onderwerpen. Als in 1977 het manifest Charta 77, een oproep aan de machthebbers om de mensenrechten te respecteren, wordt opgesteld, zijn Tomáš en Daniela twee van de 1898 ondertekenaars. Onder de steeds benauwendere omstandig- heden ontstaat onder de ondertekenaars een grote verbondenheid. Vaak neemt men grote risico’s door openlijk blijk te geven van solida- riteit met mensen waarvan de man of vrouw in de gevangenis zit.
In de herfst van 1979 doet Tomáš een onaangename vondst: in de pastorie blijkt afluisterapparatuur geinstalleerd. Op zijn openlijke blijken van afkeer volgen steeds dringender verzoeken om het land “vrijwillig” te verlaten. In 1982 wordt hem verboden nog langer voor de kerk te werken. Hij gaat als houthakker aan de slag in het bos. De kans om ooit nog op de preekstoel te komen lijkt miniem, de druk op het gezin wordt steeds groter. Tomáš en Daniela gaan met hun kinderen om de tafel zitten om over emigratie te praten. De kinderen gaan akkoord en in de zomer van 1985 vertrekt het gezin naar Schotland.
Het begin is niet makkelijk. De kinderen spreken de taal niet, de ouders zijn vervuld van twijfel en onzekerheid. Bovendien is het na drie jaar in het bos niet eenvoudig om weer in de kerk aan het werk te gaan. In november 1989 wordt Tomáš officieel aangesteld als dominee in een gemeente in Glasgow. Twee weken later valt in Tsjechoslowakije het communistisch regime. De kerk biedt Tomáš ontbinding van zijn contract aan, maar hij besluit nog zes jaar te blijven. Het worden goede jaren. De kinderen vinden partners en willen niet meer terug.
In 1996 zetten Tomáš en Daniela definitief een punt achter hun leven in Schotland. Bij terugkeer in Tsjechië merken ze dat er inmiddels veel gebeurd is in het land. De overgang van communisme naar kapitalisme is tot hun teleurstelling niet zonder horten of stoten gegaan. Op zijn zestigste verjaardag treffen we Tomáš en zijn vrouw alleen thuis aan. Hij mist zijn kinderen en verwijt zichzelf nog steeds dat ze door zijn toedoen in het diepe werden gegooid in een vreemd land. “Als ik niet zo koppig was geweest en me tijdens het communisme gewoon had aangepast aan de omstandigheden, dan was mijn gezin nog bij elkaar geweest,” zegt hij. Tegelijkertijd weet hij dat hij gewoon niet anders kon. En zonder de persoonlijke moed van mensen zoals hij zou het IJzeren Gordijn waarschijnlijk pas veel later zijn neergehaald.
Foto: rechts Tomáš, links Samuel H., die tijdens het communisme in het geheim ontmoetingen organiseerde tussen Oost- en West- Duitsers.
