Thee voor de politie

October 31st, 2014

Ruim 25 jaar geleden bestormden Oost-Duitse vluchtelingen de West-Duitse ambassade in Praag, hun toegangspoort tot de vrijheid. Oud-dissident Miloš Rejchrt vertelt erover in het interviewboek Net iets meer vrijheid dat ik vertaalde.

Herinner je je nog hoe de exodus van Oost-Duitsers naar West-Duitsland via Praag, aan het eind van de zomer van 1989, eruitzag?

Ja, dat herinner ik me nog goed. Het was al niet erg zomers meer, ´s morgens was het in ieder geval al erg koud, misschien lag er zelfs al rijp.

Je kon meteen zien dat zij het waren. Een jong echtpaar bijvoorbeeld, met een kind op de arm en twee aan de hand, met een rugzak en een koffer, dat op volledig ontoeristische wijze vastberaden de Karelsbrug overliep. Op het Malostranské plein vloeiden al die mensenstromen samen; er stapte daar een stel uit een taxi, terwijl de chauffeur de bagage uit de kofferbak haalde – en zijn klanten vervolgens omarmde ten afscheid. Even geëmotioneerd als die taxichauffeur liep ik met de massa mee. In de Karmelitská wurmde een gezin zich hun Trabant uit, waarop het gezinshoofd op de hoek van de Vlašská de sleuteltjes op de grond liet vallen. De in overall gestoken bouwvakker die daar stond, riep uit: “Hé, er is hier iemand zijn sleutels kwijtgeraakt!” “Nee, meneer,” zei ik tegen hem, “hij is ze niet kwijtgeraakt, hij heeft ze weggegooid!” “Maar hoezo dan, er zitten toch autosleutels bij!” “Ja, daarom juist!”

De volgende ochtend vroeg ging ik van huis uit met twee grote thermosflessen thee naar de Kleine Zijde om die arme zielen wat op te warmen. Die mensen hadden al een nacht onder de blote hemel achter de rug en meestal zaten de gezinnen er daar gelaten bij en warmden zichzelf op door dicht tegen elkaar aan te kruipen. Het was nog steeds niet duidelijk wat er nu verder zou gebeuren. Het Duitse Rode Kruis was al gearriveerd met dekens, Ovomaltina chocolademelk en Coca-Cola. Voor mijn thee was geen belangstelling. Dus zei ik tegen mezelf, laat ik dan degenen die nu door iedereen worden vergeten maar gaan bedienen. Ik liep via de Petřín-heuvel om de ambassade heen, boven die exterritoriale tuin waar de vluchtelingen zaten langs. Overal was politie, de avond ervoor hadden ze nog onverzettelijk alle mensen die Duitsland voor de zekerheid in Praag al binnen wilden gaan van het hek afgetrokken, en ik vroeg aan een tweetal agenten: “Wilt u thee?” “Ja, graag.” Ik schonk in en knoopte een gesprek aan: “Wat vinden jullie er nou van?” En opeens hoorde ik met eigen oren van een communistische groene politieagent: “Kijkt u eens, meneer, als het aan mij ligt dan mogen ze gaan en staan waar ze willen, iedereen moet toch gaan en staan waar hij wil, dat is toch ieders goed recht, of niet dan?” Zo begonnen die agenten me daar te overreden!

Ik liep er nog een poosje rond om de situatie in me op te nemen. Het was mooi om te zien hoe de vrouw van de Zwitserse ambassadeur er verscheen met grote manden vol belegde broodjes en zei: “Dit is net als tijdens de oorlog, zo ging dat toen met die vluchtelingen!” Eindelijk voelde ze zichzelf nuttig… Tussen de groepjes mensen met en zonder kinderen doken ook Tsjechen op, mensen die er woonden en ook pottenkijkers zoals ik, en wisselden indrukken uit; sommigen mopperden dat die Duitsers rotzooi maakten, anderen hadden medelijden met ze. Voor het eerst sinds 1968 maakte ik een discussieforum op straat mee.

In de straat van de Amerikaanse ambassade was een eindje meer naar beneden een slagboom verschenen, waar een paar groenen bij stonden. Ik zei tegen hen, net of ik één van hen was: “En, hoe staan de zaken er hier voor?” “Sommigen van die Duitsers zouden de stad in willen om wat rond te slenteren, maar verder is alles in orde.” Ik begreep dat die slagboom daar niet stond om te zorgen dat de Duitsers niet naar binnen gingen, maar juist zodat ze dat bijzondere verzamelkamp niet uitgingen.

Er kwam een Duitse vrouw met een baby op ons toegelopen en begon tegen hen te sprechen. “Ze zegt dat ze de baby zou willen verschonen,” vertaalde ik voor ze. Meteen mengde er zich een voorbijganger in, dat die mevrouw haar baby wel bij hem thuis kon verschonen, dat hij om de hoek woonde en haar direct weer terug zou brengen. Die meneer was niet eens echt een uitzondering: veel mensen in de Kleine Zijde uit die galerijhuizen lieten de deur openstaan, zodat de mensen er naar de gezamenlijke wc op de gang konden, en sommigen lieten hen zelfs hun appartement binnen. De agenten deden eerst even moeilijk en wierpen tegen dat ze het bevel hadden gekregen om niemand door te laten, totdat de commandant zei: “Oké dan, maar zeg tegen haar dat ze binnen een half uur terug moet zijn, want dan ben ik hier nog!”

Je kon aan die politieagenten zien hoe die doorwaakte nacht met de vluchtelingen haar sporen had achtergelaten, dat het echt een bijzondere nacht was geweest. ´s Middags eindigde het ermee dat de agenten, toen er bussen kwamen om de mensen naar speciale treinen te brengen, voor kofferdragers speelden en de bagage inlaadden. Ik wil graag geloven dat ze daar geen bevel voor hadden gekregen.

Jagen en verzamelen

October 15th, 2014

Het terug-naar-de-natuurgevoel dat Tsjechië begin jaren negentig bij me opriep, is al aardig op zijn retour. Toch komt de oermens in mij af en toe weer boven en die kan hier nog altijd beter tot zijn recht komen dan in het zwaar verstedelijkte Nederland. Oké, het jagen laat ik liever aan de kat over, maar het verzamelen zit me in de genen. Bosbessen, bramen, frambozen, beukennootjes, tamme kastanjes: in Apeldoorn en omstreken was niets veilig voor ons verwoede verzamelgezin.

Of we daarmee een uitzondering waren in Nederland, durf ik niet te zeggen. Maar toen een bevriende predikant uit Boxmeer me vertelde dat de walnoten onder de boom naast zijn kerk liggen weg te rotten omdat niemand erin geïnteresseerd is, kon ik mijn oren nauwelijks geloven. Ook nu begin ik een beklemmend gevoel te krijgen: de walnotentijd loopt namelijk op zijn einde. En dat betekent ook het einde van een hoop plezier voor Ester en mij. Iedere dag lopen we op weg van de kleuterschool naar huis speciaal een eindje om om noten te kunnen zoeken onder een grote walnotenboom. We zijn zelfs bereid om het dichte struikgewas onder de boom te trotseren, onze geheime plek waar zich duidelijk geen anderen wagen. We hebben inmiddels een flinke mand vol.

De meeste Tsjechen zijn vooral paddenstoelenverzamelaars. Dus toen ik met mijn schoonmoeder op een keer in Nederland langs een vijver liep, wees ze me bijna juichend op de zee van eekhoorntjesbrood op de oever. “Zoveel heb ik er nog nooit bij elkaar gezien, hoe is het mogelijk dat niemand ze plukt?” vroeg ze geschokt. “Verboden,” was mijn laconieke reactie en ik zag mijn schoonmoeder wit wegtrekken. “Dat meen je niet! Dan neem ik voortaan een andere route, dit kan ik echt niet aanzien!”

Déjà vu: laatst waren we een weekend weg met vrienden en gingen we toen het eindelijk droog werd het bos in. Dat bleek na alle regen van de voorbije week een waar paddenstoelenparadijs. Iedereen stortte zich op de verschillende soorten en zelfs mijn zoons bleken feilloos de eetbare van de giftige te kunnen onder- scheiden. Na een tijdje begon het tot de dolenthousiaste verzamelaars door te dringen: het zijn er te veel om allemaal mee te kunnen nemen. Jana N. bleef samen met ons het langst in het bos achter: “Ik kan gewoon niet wegkomen. Het idee om al die prachtige paddenstoelen te moeten laten staan is bijna niet te verdragen!” Bij het zien van haar quasi-ellende waande ik me weer in de jaren negentig. Er is veel veranderd in Tsjechië, maar soms steekt dat romantische gevoel gelukkig toch weer de kop op. En de kulajda (paddenstoelen-dillesoep) die we thuis kookten, smaakte weer even fantastisch als altijd.

Pantoffels

December 5th, 2013

´s Morgens om een uur of zes komt hier langzaam een stroom ouderen op pantoffels op gang. Vanachter ons keukenraam op de eerste verdieping slaan wij iedere ochtend gade hoe het legioen richting de kruidenier annex slagerij even verderop schuifelt om broodjes voor het ontbijt te halen. En vlees, want wie niet vroeg genoeg is, heeft meestal weinig meer te kiezen. Handig, zo´n buurtwinkeltje, hoewel je het niet te nauw moet nemen met houdbaarheidsdata of hygiëne. De Tsjechische handelsinspectie zou er haar handen vol aan hebben. Voor de overbuurvrouw is een wandelingetje naar de winkel het enige moment van de dag dat ze onder haar tot huiskleding gebombardeerde nachthemd een broek aantrekt. Maar je pantoffels omwisselen voor schoenen voor de 50 meter naar het winkeltje is ook voor haar niet de moeite.

Zoals Herman Finkers ooit al treffend opmerkte: “In Almelo is altijd wat te doen; soms staat het stoplicht op rood en soms staat het op groen.” Neem dan Šlapanice, daar is niet eens een stoplicht. Dat het dorpsleven saai is, valt desondanks reuze mee. Je moet ook een beetje oog hebben voor het interessante. Soms is er zelfs haast téveel opwinding. Onlangs verscheen de overbuurvrouw achter het raam in een zwart kanten bh en een groezelige onderbroek van het type Bridget Jones. Ons wanhopig afvragend waar deze radicale verandering van kledingstijl voor nodig was, begonnen wij serieus te overwegen om net als de rest van het land vitrages aan te schaffen. Gelukkig bleek het een bevlieging en keerde de buurvrouw terug naar haar vertrouwde nachthemd – en daarmee keerde de rust terug in Šlapanice. Geen vitrages nodig, wat een geluk. Kunnen we tijdens het ontbijt nog altijd gewoon het winkelend publiek op pantoffels in de gaten blijven houden.

Gebiedende wijs

November 20th, 2013

Ik kan er maar niet aan wennen, aan de gebiedende wijs. En zal daarom ook wel nooit een echte Tsjech worden. Daar was mijn baas Milan van het bouwbedrijf waar ik werkte in 1994 ook al snel achter. Bevelen als “Zet eens koffie voor me” of “Vertaal zo snel mogelijk deze fax” vond ik moeilijk te verteren. “Pas op voor Lisa,” werd na een tijdje een standaardgrapje van Milan, “ze is allergisch voor de gebiedende wijs!” En dus werd het: “Beste Lisa, zou je alsjeblieft zo vriendelijk willen zijn om deze fax voor me te vertalen, maar alleen als het écht uitkomt uiteraard!” Of de gebiedende wijs ooit echt uit het standaard taalgebruik van de gemiddelde Tsjech zal verdwijnen, is echter hoogst onzeker. Afgaand op mijn recente belevenissen met trolleybuschauffeurs in ieder geval wel.

Toen ik vorige maand naar het beginpunt van lijn 31 liep en al twee moeders met kinderwagens bij de halte zag staan, zag ik de bui al hangen. Officieel mogen er maar twee kinderwagens per bus mee en hoewel de meeste chauffeurs niet moeilijk doen over een kinderwagen meer of minder, rook ik al onraad. Ik stond nog maar nauwelijks binnen of de chauffeur stapte de bestuurderscabine uit. Wijdbeens stond hij voorin ZIJN bus en wees dreigend naar het gat van de deur. “Die derde kinderwagen gaat eruit!” bulderde hij in mijn richting. Die toon werkt bij mij als een rode lap op een stier. “Maar de volgende bus gaat pas over twintig minuten,” sputterde ik gefrustreerd tegen en mompelde er nog een aantal Nederlandse scheldwoorden achteraan. “Niks mee te maken, wegwezen!” Had hij me vriendelijk verzocht de bus te verlaten, dan had ik gedwee gedaan wat hij van me vroeg.

Gelukkig kon ik de wachttijd nuttig doorbrengen door een broek te ruilen bij de kinderkledingwinkel even verderop. De verkoopster keek meewarig toen ik haar vertelde over de niet al te sympathieke trolleybuschauffeur. “En bij de vreemde- lingenpolitie hebben ze me deze week ook al mijn achternaam afgepakt. Vijftien jaar lang heette ik Fikejsová en opeens is het Fikejs, alsof ik een man ben!” Het verbaasde haar nauwelijks. “Alles wat in dit land met de staat te maken heeft, is één grote zooi,” verkondigde ze begrijpend. Blij dat ik mijn hart had kunnen luchten liep ik terug naar de halte. Dit keer was ik de enige passagier met kinderwagen, nog een opluchting.

Twee weken later. Vrienden uit Praag waren overgekomen en stapten met ons in de trolleybus naar Šlapanice. Een jongen met een fiets was zo vriendelijk om mij eerst in te laten stappen met de kinderwagen en pas daarna zelf naar binnen te gaan. In minder dan geen tijd was de chauffeur zijn hokje uit. Eén blik op de fiets was voor hem voldoende: “Die fiets hoort schoon te zijn! Eruit!” Helemaal blinkend schoon was het rijwiel inderdaad niet, maar het vormde ook zeker geen gevaar voor het interieur van de bus of de medereizigers. “Altijd hetzelfde liedje in de trolleybus,” zei ik tegen de fietser en terwijl de bus al wegreed, wierp hij me van buiten nog een dankbare glimlach toe. “Zeggen ze in Brno niet juist altijd dat Pragenaars zo arrogant en onvriendelijk zijn?” was het verbouwereerde commentaar van onze vrienden. Inderdaad ja, maar tegen het humeur van de gemiddelde trolleybuschauffeur in Brno kan geen Pragenaar op.

Toen een andere bestuurder laatst zonder succes door zijn microfoontje een meisje achterin de bus had gemaand uit te stappen omdat ze een beker koffie in de hand had (overigens met zo´n dekseltje met een klein drinkgaatje erin, dus weinig kans dat ze de bus ermee zou bevuilen) , liep hij met grote stappen op haar af. Haar niet-begrijpende blik overtuigde hem er uiteindelijk van dat hij met een buitenlandse van doen had. Gelukkig sprak hij vloeiend Engels. “Coffee not!” sprak hij bars en weer het bekende handgebaar in de richting van de deur. Ik kon wel door de grond zakken van schaamte. Het kan zijn dat het allemaal met Šlapanice te maken heeft, de enige trolleybusbestemming buiten het grondgebied van Brno. Daar worden dus de krakkemikkigste bussen naartoe gestuurd, en dat in daluren maar een paar keer per uur – ze zitten dus meestal afgeladen vol. Daar wordt geen enkele chauffeur blij van. En dus zullen ze bij het vervoerbedrijf wel expres de toch al neurotische bestuurders inzetten op lijn 31. Hoe het ook zij, voor mij maakte het één ding duidelijk. De enige manier om weer officieel Fikejsová te kunnen heten is door de Tsjechische nationaliteit aan te vragen, maar zolang bevelen en de gebiedende wijs nog schering en inslag zijn, blijf ik Nederlands. Kan ik tenminste zonder scrupules in mezelf op “de” Tsjechen blijven mopperen.

Naar het bevriende Noord-Korea

November 8th, 2013

“Jij bent volgens mij echt overal geweest, behalve natuurlijk in Noord-Korea!” zei ik tegen onze reislustige 82-jarige tante Milada. “O maar in Noord-Korea ben ik ook geweest, hoor,” reageerde ze alsof het de normaalste zaak van de wereld was. “Kapitalistische landen waren als reisdoel uiteraard uit den boze, dus ging ik begin jaren tachtig met vriendin Drahuška op vakantie naar Cuba. En een jaar later dus naar de Democratische Volksrepubliek Korea. We vlogen via Moskou over de uitgestrekte vlakten van Siberië naar Pyongyang. Toen we aankwamen waren ze juist druk in de weer met de repetities voor een ontvangst van een Chinese delegatie. Onmetelijke mensenmassa´s liepen strak in het gareel. Ik was natuurlijk wel wat gewend van onze eigen 1 mei-optochten, maar dit leken wel getrainde mieren.”

September 2013, familiedag in Smržovka. De hele familie hing inmiddels aan Milada´s lippen. “Het verblijf had meer weg van een bedevaart naar de heilige Kim Il-Sung dan van een ontspannen vakantie,” vervolgde ze. “Er moest verplicht een bezoek worden gebracht aan zijn enorme standbeeld en een museum met geschenken die hij van “bevriende” naties had ontvangen, zoals meerdere auto´s en zelfs een locomotief. “En wat had hij van zijn Tsjechoslowaakse kameraden gekregen,” vroeg mijn schoonvader met een knipoog, “een tram?” Dat wist Milada zich helaas niet meer te herinneren. Dat er ook een uitstapje naar de geboorteplaats van de verlichte leider op het programma stond, zal ze echter niet gauw vergeten. “Dat ging namelijk aan onze neus voorbij, enorm jammer,” vertelde Milada ironisch.

“We logeerden in een groot hotel in het midden van de hoofdstad en op een ochtend viel Drahuška daar van de trap en brak haar arm. Terwijl de rest op stap ging, moesten wij met zijn tweeën het ziekenhuis zien te vinden, wat nog niet zo eenvoudig was.” Denkend aan een recente Tsjechische documentaire over Noord-Korea, waarin een groepje Tsjechische reizigers geen stap zonder gids mocht zetten, merkte ik op dat het wel bijzonder was dat ze zo alleen de stad in werden gestuurd. “Vergeet niet dat we uit een bevriend land kwamen, hè?” wees Milada me met een glimlach op de feiten. “De zusters in het ziekenhuis waren ontzettend vriendelijk en hadden Drahuška bij wijze van spreken zelfs wel willen voeren. Haar arm werd er helaas wel vrij amateuristisch gespalkt en groeide uiteindelijk slecht aan elkaar.”

“En wat vond je van het land op zich?” wilden wij weten. “De rijstvelden vond ik prachtig en de natuur ook, maar verder kon je zien dat de mensen in ellende leefden. Je zag overal vreselijke flatgebouwen, waarvan kapotte ramen vaak met plastic waren gedicht. Als je ergens naar binnen kon kijken, kon je aan de schamele inrichting zien dat ze het niet breed hadden. Wel hadden ze natuurlijk allemaal het verplichte portret van Kim Il-Sung aan de muur hangen. En als we met de trein gingen, zag je dat de steentjes op het talud keurig naast elkaar gerangschikt lagen, weer allemaal mierenwerk. Je voelde, zag en rook gewoon dat de mensen zwaar werden gehersenspoeld. “En het ongelooflijke is,” maakte dochter Ivana een sprong naar het heden, “dat een vooraanstaande arts uit een instelling bij mij in de buurt nog steeds overtuigd communist is. Deze zomer is hij al voor de zoveelste keer op vakantie geweest in Noord-Korea. Hij vindt het er fantastisch.” Het hersenspoelen heeft dus zelfs effect op sommige niet-Koreanen en dat in dit informatietijdperk. Dat was voor mij eigenlijk het meest opzienbarende aan dit ongelooflijke verhaal…

Heet

September 30th, 2013

Mijn eerste winterse bezoek aan Tsjechoslowakije, november 1992. “Kijk, hier mag je vannacht slapen,” zei mevrouw Kozlovská, en zwaaide de deur van de kamer open. De warmte sloeg me in het gezicht. “Ik heb de verwarming vast een paar graden hoger gedraaid, dan slaap je extra lekker.” Op het bed lag bovendien het dikste donzen dekbed dat ik ooit had gezien. Toen iedereen al in diepe rust was en ik het inmiddels niet meer hield van de hitte, sloop ik het bed uit om wanhopig te gaan proberen hoe de ramen in zo´n communistische flat opengaan. Na een tijdje morrelen kreeg ik het tot mijn opluchting voor elkaar. Eindelijk lucht.

Ook in de oververhitte Tsjechische winkels brak en breekt het zweet me in de winter regelmatig uit. Verkooppersoneel zit in t-shirt achter de kassa, terwijl de klant in dikke winterjas zwetend en zwoegend achter winkelkar of kinderwagen zo snel mogelijk zijn rondje door de winkel doet om vooral maar gauw weer naar buiten te kunnen. Hoewel het kwik hier in de winter een stuk verder onder het vriespunt daalt dan in Nederland, lijkt het wel of de gemiddelde Tsjech niet erg koubestendig is.

“Altijd als we op wintersport gingen, draaide mijn moeder de verwarming in alle kamers vooraf in de hoogste stand,” vertelde vriend Roman me eens. “Anders zouden we het zo koud hebben als we na een week weer thuiskwamen. Maar toen we vorig jaar meters op de radiatoren kregen en we niet meer een vast bedrag aan stookkosten maar het reële verbruik moesten gaan betalen, schrokken mijn ouders zich lam van het bedrag dat ze moesten bijbetalen. Sindsdien gaat de verwarming uit als we weggaan.” Misschien waren zijn ouders voordien ook wel van die mensen geweest die graag schaars gekleed door het huis lopen. Toen onze eigen overbuurman Klečka op een keer op hetzelfde moment de deur uitstapte als ik, zag ik nog net hoe mevrouw Klečková de gang aan het stofzuigen was – gekleed in niet meer dan een string.

Ons eigen appartement in Praag lag middenin de flat, omringd door appartementen van mensen die blijkbaar even erge koukleumen waren als de ouders van Roman. Wij hadden de verwarming dan ook altijd op nul staan. Het naastgelegen appartement stond anderhalf jaar leeg en toen ik er een keer binnenkwam, moest ik bijna naar adem happen. In dit niet-bewoonde appartement was het nóg heter dan bij andere Tsjechen thuis – de knop van de verwarming was namelijk vastgeroest in de hoogste stand en de eigenaar van de flat vond het blijkbaar niet de moeite om daar iets aan te doen. Dat het er constant 28 graden was, deed er niet toe – je betaalde toch altijd hetzelfde.

Op een gegeven moment nam de bewonersvereniging een dapper besluit: ook de radiatoren in ons flatgebouw zouden worden voorzien van meters. Die eerste winter was dat meteen al te merken. De verwarming hoefde nog steeds niet aan, maar de buren stookten duidelijk minder en de temperatuur bleef bij ons steken op een graad of eenentwintig. Na een paar maanden kwam buurman Klečka, die in het bewonerscomité zat, langs om de stand van de meters op te nemen. In ons kleine slaapkamertje moest hij over ons tweepersoonsbed heen klauteren om bij de verwarming te kunnen komen. Helemaal voor niks natuurlijk, want de stand op de meter was nul. Daar keek Klečka nogal van op. Maar iedere Tsjech die wel eens in de winter in Nederland is geweest en daar in een onverwarmde slaapkamer heeft geslapen, weet wel beter: Nederlanders zijn winterhard. En anders dan Klečka´s vrouw draag ik thuis natuurlijk ook net iets meer dan alleen een string…

Bewaker van het IJzeren Gordijn

September 16th, 2013

Wij dienen ons socialistische vaderland! De vijand komt onze grens niet over!

“Weet je nog dat je bij de grenswacht zat en we elkaar zouden treffen in Nová Pec?” vroeg mijn schoonvader aan zijn broer Milan – en ik was meteen één en al oor. Milans diensttijd aan de Oostenrijkse grens, daar wilde ik al tijden meer van weten. “Je wist niet precies hoe laat we zouden komen en had er een speurder van jullie compagnie op afgestuurd. Die vent liep het café binnen waar we zaten, onopvallend gekleed in een spijkerbroek en t-shirt, maar we herkenden hem meteen aan zijn legergroene sokken!” “Dat was grappig, ja,” beaamde Milan. “We hadden twee van die speurders, die zochten in de omgeving naar eventuele vluchtelingen. Als ergens onbekenden gesignaleerd werden, kregen ze direct een seintje en gingen er dan incognito op af – afgezien dan van die sokken.”

“Ik zat bij de verbindingen,” antwoordde Milan op mijn vraag wat zijn functie aan de grens was. “Zorgen dat de portofoons in orde waren enzo. Af en toe moest ik ook wel wachtlopen, maar het was vooral relaxt. Als technicus had ik relatief veel vrijheid. Ik ging vaak de grenszone door om te controleren of alle apparatuur nog goed functioneerde. Aanvankelijk was de grens met Oostenrijk alleen afgezet geweest met prikkeldraad, waar de mensen van de grenswacht achter stonden. Maar daar vluchtte er regelmatig ook zelf één van naar Oostenrijk. Dus verbreedden ze de grenszone tot een strook van 4 km en stond de grenswacht voortaan aan de andere kant van het prikkeldraad. Wie wilde vluchten moest sindsdien eerst een uur door slecht begaanbaar, bergachtig gebied lopen. Behalve de grenswacht mocht daar natuurlijk niemand komen, en het was dan ook een fantastisch, onaangetast natuurgebied. Als ik op pad ging, waande ik me bijna op vakantie.

“En moest je vaak mensen neerschieten?” mengde de inmiddels nieuwsgierige Tim zich in het gesprek. Dat bleek gelukkig mee te vallen. “Als we om de haverklap vluchtelingen hadden moeten oppakken, was het er natuurlijk een stuk minder idyllisch geweest, maar vanwege de breedte van de grenszone meden die ons gebied. Meestal vluchtten ze via de rivier de Dyje in Zuid-Moravië of de Donau bij Bratislava. Onder water zwemmend probeerden ze dan de overkant te bereiken. In die anderhalf jaar dat ik in Zuid-Bohemen zat, werden er alleen twee keer Oost-Duitse vluchtelingen opgepakt in de aangrenzende compagnie. Die werden dan uitgeleverd aan de DDR, maar moesten eerst nog wel ondertekenen dat ze door ons goed waren behandeld. Langs de grens stonden trouwens ook overal onzinnige bordjes met teksten als Pas op, landmijnen, terwijl er nergens ook maar een enkele mijn lag. Dat zal de mensen ook wel hebben afgeschrikt.”

Het voorval dat Milan vervolgens oprakelde, is tekenend voor de absurditeit van het communisme. “Een officier van de grenswacht in een meer opwindend gebied had eens een vluchteling tot in Oostenrijk achtervolgd in een gepantserd voertuig, wat natuurlijk faliekant fout was – op vreemd grondgebied had hij niks te zoeken. Daardoor kwam hij voor straf bij onze oninteressante compagnie terecht en vierde zijn ongenoegen over die degradatie bot op mijn maten en mij. Echt een rotzak was het. Maar ik wist dat hij munten verzamelde en gaf hem op een keer een Amerikaanse quarter, 25 dollarcent. Hij was helemaal in de wolken met die geweldige aanwinst. Sindsdien heb ik nooit meer last met hem gehad. Wat een paradox, hè? We zaten daar om mensen te belemmeren naar het westen te vluchten en een simpel muntje van het meest verguisde kapitalistische land ter wereld zorgde ervoor dat ik een probleemloze diensttijd had.”

Kabelbaan

September 9th, 2013

De kabelbaan van Dolní Lánov in de winter

Als je de camping van Jan en Akkelien Nijdam in Dolní Lánov oprijdt, wordt je blik gevangen door een wel heel apart fenomeen. Even voorbij het kampeerterrein hangen hoog bovenin de lucht de laadbakken van een goederenkabelbaan. Er wordt kalksteen in vervoerd die wordt gewonnen in de steengroeve van Černý Důl, vertelt Jan, en vervolgens naar de betonfabriek van Kunčice nad Labem, 9 km verderop, getransporteerd. Het vernuftige vervoermiddel, gemaakt door staatsbedrijf Transporta Chrudim, dateert van 1963 en wordt niet alleen aangedreven door een motor, maar ook voortgestuwd door het gewicht van het gesteente in de bakken.

Op de camping zit voor bijna iedere tent of caravan wel iemand op een tuinstoel een boek te lezen, af en toe een steelse blik werpend op de kabelbaan die maar niet in beweging wil komen. Wij zitten op het terras naast het huis van Jan en Akkelien en kijken ook naar de roerloze laadbakken. Een overblijfsel uit een grijs verleden, zou je op het eerste gezicht zeggen. “Onze gasten vragen vaak of de kabelbaan nog wel in bedrijf is. Hij hangt normaalgesproken de hele zomer stil, maar buiten de bouwvakvakantie om is hij nu eens een paar dagen in beweging, dan weer een paar dagen niet. En als hij in de winter niet in bedrijf is, hangen ze de bakken op de kop zodat er geen sneeuw in valt.” Niks grijs verleden dus, dit is nog steeds fascinerende werkelijkheid.

Jorik, de zoon van Jan en Akkelien, woont voor de verandering in Albanië. Tijdens een trektocht door het land moest Jan zich op een gegeven moment stevig in de ogen wrijven. Hij reed met zijn zoon in de buurt van industriestad Elbasan en boven de weg hing zowaar eenzelfde soort kabelbaan als naast zijn huis in Tsjechië. En dat terwijl hij dacht dat de Tsjechische de enige ter wereld was. Vlug sprong hij uit de auto om een paar foto´s te maken. Afgaande op de plaatjes die Akkelien ons laat zien zou je haast zeggen dat het om een kabelbaan van dezelfde makelij gaat. Dan zou hij door Transporta gemaakt moeten zijn in de periode voor 1968, toen Albanië en Tsjechoslowakije nog broederlanden waren binnen het Warschaupact.

Als we rond achten het kampeerterrein afrijden, is het al aardig afgekoeld. Toch zit er hier en daar nog een enkele volhouder voor zijn tent. Alweer bijna een dag voorbij zonder functionerende kabelbaan. Thuis las ik op internet dat het over een paar jaar helemaal afgelopen is. Dan is de capaciteit van de steengroeve bereikt en wordt de kabelbaan waarschijnlijk afgebroken. Ontzettend jammer eigenlijk. Wie een goederenkabelbaan in werking wil zien, zal in de toekomst in Albanië dus meer kans op succes hebben. Misschien een idee voor zoon Jorik, die ook in de reisbranche zit, om een speciale kabelbanenreis te organiseren. Ik teken alvast in!


Voor wie wil zien hoe de kabelbaan werkt, zie deze video.
En voor een wel heel bijzondere “kabeltram” in Georgië, zie dit artikel met prachtige foto´s (met dank aan zwager Olda).

Boek

August 25th, 2013

Ruim een miljoen Nederlanders speelt met het idee een boek uit te geven, las ik ergens. Hoe ze aan dat aantal komen, geen idee, maar ook als het maar half waar is, blijft het veel. Websites van uitgeverijen spreken dan ook duidelijke taal: natuurlijk, iedereen mag een manuscript insturen (dat kunnen we moeilijk verbieden), maar aangezien iedere sukkel tegenwoordig over geweldig schrijfta- lent denkt te beschikken, kunnen we echt niet op elk schrijfseltje gaan reageren. Mochten we uw werk toevallig wel wat vinden, dan hoort u op zijn vroegst na drie maanden iets van ons. Die strategie werkte bij mij perfect, want ik raakte door dit soort taal compleet ontmoedigd. Laat maar zitten, die verhalenbundel over Tsjechië.

Tot we in Šlapanice kwamen wonen en ik op straat werd aangesproken door ene meneer Olejko. “Heeft u dit huis gekocht? En waar komt u vandaan? Uw man uit Praag en u uit Nederland? Interessant. Hier is mijn visitekaartje, ik ben drukker, kom gerust eens langs als u drukwerk nodig heeft.” Dat heb ik uiteindelijk na veel wikken, wegen en aandringen van man Honza, zus Corine en nog een aantal anderen gedaan. En het bleek haalbare kaart. In plaats van zomervakantie vieren werd het dus verhalen selecteren, nieuwe verhalen schrijven, oude herschrijven, lezen en herlezen tot ik erbij neerviel. Zwager Olda verzorgde de omslag en lay-out, zwager Michal het merendeel van de foto´s en Dieter, de geestelijke vader van mijn blog, het voorwoord en een eerste recensie.

Al werkend aan het boek bedacht ik dat ik dit jaar twintig jaar in Tsjechië woon. En dat dit boekje een mooie terugblik op die bewogen periode is. De verhalen gaan over mijn persoonlijke ontmoetingen met de gewone Tsjech, die soms nors is, vaak grappig en altijd vindingrijk in het omgaan met uiteenlopende situaties. En hoewel ik af en toe tegen dingen aanliep waar ik vreemd van opkeek, heb ik nooit spijt gehad van mijn beslissing om in Tsjechië te blijven. Lees het zelf maar in Tsjechië met volle teugen.

Informatie over het boek en bestellingen

Wie het laatst lacht

August 16th, 2013

Traditioneel is een kapsalon natuurlijk de plaats bij uitstek waar nieuwtjes worden uitgewisseld. Zo ging ik eens in Smržovka naar de kapper en werd de jonge kapster bijna jaloers toen ze hoorde dat ik uit Nederland kom. “Uit Nederland, echt waar? Dat ligt toch aan zee, of niet? Dus warme zomers, heerlijk zwemmen in zee en bruin worden op het strand!” Mijn informatie over de gemiddelde temperatuur van de Noordzee hielp haar uit de droom. Echt interessant wordt het in deze wintersportplaats, die vooral bekend staat om zijn rodelbaan, ook eigenlijk pas als je voor een massage naar mevrouw Spálenská gaat.

Zo kwam mijn schoonmoeder gisteren te weten dat de inmiddels drieën- zestigjarige masseuse in 1976 als rodelaarster deelnam aan de Olympische Winterspelen in Innsbruck en daar op een verdienstelijke tiende plaats eindigde. Sport en muziek waren tijdens het communisme activiteiten waarbij je stukken makkelijker de grens over kwam dan de doorsnee burger. Zo kent een oudere kennis van ons, die violist was in het filharmonisch orkest van Brno, Tokio op zijn duimpje en trad een cello spelende vriendin regelmatig op tijdens folkloristische festivals in bijvoorbeeld Griekenland. Ook mevrouw Spálenská heeft zo´n beetje alle rodelbanen van Europa gezien. Tijdens het WK in Zweden in 1975 won ze zelfs brons.

Toch bleef het oppassen geblazen. Zo waagden enkele medesporters uit de olympische delegatie het hardop op te merken dat de kleding van de Tsjechoslowaakse sporters niet om aan te zien was. Mevrouw Spálenská was het daar roerend mee eens, maar hield wijselijk haar mond. Gelukkig maar, want de onschuldige opmerking groeide uit tot een enorme affaire. De personen in kwestie hadden de eer van hun socialistische vaderland te grabbel gegooid en werden hard aangepakt: ze mochten nooit meer voor hun land uitkomen tijdens internationale wedstrijden. Dat zal ze leren, moeten de strenge machthebbers hebben gedacht. “Maar weet u,” vertrouwde de voormalige rodelaarster mijn schoonmoeder toe, “uiteindelijk lachten ze in hun vuistje. Het waren namelijk allemaal sporters die er eigenlijk toch al mee wilden stoppen.” Communisme of geen communisme, wie het laatst lacht, lacht nu eenmaal meestal het best.